Wanneer kan een demonstratie worden beperkt? De regels die bij een demonstratie kunnen worden gesteld

Kan een demonstratie worden beperkt omdat deze botst met andere grondrechten (recht op privacy, discriminatieverbod en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging)?

Het demonstratierecht kan in botsing komen met rechten van anderen. Bijvoorbeeld met het recht op privacy van artikel 10 van de Grondwet (denk aan demonstraties bij een abortuskliniek of bij de privéwoning van politici), het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet (denk aan demonstraties waarbij discriminerende dingen worden gezegd) of de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging van artikel 6 van de Grondwet (denk aan demonstraties bij de ingang van een moskee of synagoge).

De burgemeester kan een demonstratie niet beperken of verbieden alleen omdat de demonstratie in botsing komt met rechten van andere personen. 

De Nederlandse demonstratiewet noemt (slechts) drie redenen op grond waarvan een burgemeester dit kan doen. Die drie redenen staan in artikel 2 van de Wet openbare manifestaties en zijn: (1) om de gezondheid te beschermen, (2) in het belang van het verkeer of (3) om wanordelijkheden te voorkomen en te bestrijden. Bovendien bepaalt de demonstratiewet dat de burgemeester zich niet mag bemoeien met de inhoud van de demonstratie (artikel 5 lid 3 Wet openbare manifestaties). Een demonstratie beperken omdat de demonstranten discriminerende dingen (willen) zeggen, mag de burgemeester dus niet.

Rechten van anderen zijn vaak tot op zekere hoogte wel beschermd door strafwetten. 

Voorbeelden van rechten die beschermd zijn door strafwetten:

  • sommige vormen van discriminatie zijn strafbaar gesteld (zie bijvoorbeeld de artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht);
  • het recht op privacy is beschermd door bijvoorbeeld het verbod van stalking (artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht);
  • de godsdienstvrijheid is beschermd door bijvoorbeeld het verbod om een godsdienstige bijeenkomst onmogelijk te maken of te verstoren (artikelen 145 en 146 van het Wetboek van Strafrecht).

Demonstranten moeten zich aan deze strafwetten houden. Als zij dit niet doen, dan geldt als hoofdregel dat zij kunnen worden aangehouden en een straf opgelegd kunnen krijgen.  

De overheid moet terughoudend zijn met het strafrechtelijk aanpakken van vreedzame demonstranten. Dit betekent dat zij niet snel mag ingrijpen, en al helemaal niet als een demonstrant niets ernstigs heeft gedaan. Een hoge rechter (het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) heeft dit geoordeeld.

Nederlandse rechters oordelen daarom nog weleens dat als een demonstrant iets zegt of doet tijdens een demonstratie dat normaal gesproken strafbaar is, dat de bescherming van het demonstratierecht er dan voor zorgt dat er een lagere straf of geen straf wordt opgelegd, of zelfs dat het helemaal niet strafbaar is. 

Zoek naar vragen, artikelen en rechtspraak: