De rechter oordeelt dat er een inbreuk is gemaakt op het demonstratierecht van verdachte. De demonstratie tegen 'greenwashing' in de kledingwinkel is vreedzaam verlopen en de verdachte werkte goed mee tijdens de aanhouding. Het 5 uren ophouden voor verhoor en strafrechtelijk vervolgen is daarom niet redelijk; laakbaar gedrag ontbreekt.
Verdachte is samen met 3 medeverdachten op 29 november 2020 naar een kledingwinkel gegaan om te demonstreren tegen 'greenwashing'. Verdachte heeft met 2 medeverdachten gedemonstreerd door met een ontbloot bovenlijf in de kledingwinkel te staan. De andere medeverdachte stond buiten de kledingwinkel als woordvoerder van de demonstratie. Een medewerker heeft 3 keer aan de verdachten gevraagd om te vertrekken, maar dat weigerden ze. De politie heeft de verdachten daarom aangehouden, meegenomen naar het politiebureau. Daar zijn ze voorgeleid aan de hulpofficier van justitie, waarna ze 5 uren zijn opgehouden voor verhoor.
Was het politieoptreden (verhoren en strafrechtelijk vervolgen) in deze zaak proportioneel?
De rechter oordeelt dat de door de politie getroffen maatregelen niet proportioneel waren in deze zaak.
De demonstratie van de verdachte en de medeverdachten was vreedzaam en dus beschermd door het demonstratierecht, omdat er een beperkte mate van overlast was en er geen schade is ontstaan. Er is wel sprake van een wettelijke beperking van het demonstratierecht, omdat demonstranten zich schuldig maakten aan lokaalvredebreuk (artikel 138 Sr). Zij weigerden namelijk de kledingwinkel te verlaten. De politie mocht de verdachte en de medeverdachten daarom aanhouden en meenemen naar het politiebureau. In zoverre was het optreden redelijk.
Het vervolgens 5 uur ophouden voor verhoor en strafrechtelijk vervolgen van de demonstranten vindt de rechter disproportioneel. Demonstranten werkten goed mee en lieten geen laakbaar gedrag zien. Van het op deze manier omgaan met demonstranten kan daarom een chilling effect uitgaan, waarmee demonstranten worden ontmoedigd hun demonstratierecht uit te oefenen. Er is sprake van een inbreuk op het demonstratierecht van de verdachte, want de beperking van het demonstratierecht was niet noodzakelijk. Verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.
Deze uitspraak laat zien dat de rechter verschillende omstandigheden meeweegt in de beoordeling of strafrechtelijk optreden proportioneel was. Het vreedzame karakter van de demonstratie en het gedrag van demonstranten tijdens hun aanhouding zijn daarbij van belang. In deze zaak resulteert dat in het ontslaan van alle rechtsvervolging van verdachte.
Een initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen | Website door Liesbeth Smit, The Online Scientist | Disclaimer & privacy