Rechtspraak over demonstratierecht
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort zaak
eerste aanleg
Rechtsgebied
Strafrechtelijk
Procespartijen
Verdachte
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:6698
Lees de volledige rechtspraak
18 oktober 2024

Duwen fietser tijdens pro-Palestina demonstratie geen geweldshandeling

Het oordeel in het kort

Bij een pro-Palestina demonstratie probeert een fietser zich een weg door de demonstratie te forceren. De verdachte houdt deze fietser tegen, geeft hem een duw en gooit zijn fiets weg. Deze handelingen worden door de rechter niet gezien als geweldpleging en vallen binnen de demonstratievrijheid. Het spectrum van gedrag van demonstranten dat onder ‘geweld’ valt moet strikt worden uitgelegd. 

Wat zijn de feiten?

Op 13 juni 2024 vindt in Amsterdam een pro-Palestina demonstratie plaats, waaraan de verdachte deelneemt. De demonstratie is een sit-in: demonstranten zitten op de weg en versperren de doorgang van het verkeer, maar de stoep blijft toegankelijk. Fietsers proberen door de demonstratie heen hun weg te vervolgen, wat leidt tot confrontaties tussen de demonstranten en de fietsers. De verdachte wordt vervolgd voor een confrontatie met een fietser. Verdachte duwt de fietser een aantal keer naar achteren. Vervolgens pakt de fietser zijn fiets op en tilt deze boven zijn hoofd en probeert zo te passeren. Verdachte pakt de fiets vast en gooit deze op de daar geparkeerde fietsen.

Het Openbaar Ministerie (OM) stelt dat er geen sprake is van demonstreren, maar van intimideren en openlijke geweldpleging (141 Sr). Het OM eist een gevangenisstraf van twee weken. 

De verdachte stelt dat hij juist de situatie probeerde te sussen. De fietser zou een duwende beweging met zijn fiets hebben gemaakt en deze boven zijn hoofd hebben getild, wat de verdachte als bedreigend heeft ervaren. Daarbij speelde mee dat de demonstranten eerder erg waren geschrokken van een op hen inrijdende auto. 

De centrale vraag van deze rechtszaak:

Is het handelen van de verdachte te kwalificeren als geweldpleging?

Wat oordeelt de rechter?

De demonstratie moet worden aangemerkt als een vreedzame demonstratie en valt daarom onder de bescherming van artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft geoordeeld dat sporadisch geweld of strafbaar gedrag van enkele demonstranten niet betekent dat de gehele demonstratie haar bescherming verliest.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat een demonstratie tot op zekere hoogte verstorend mag zijn voor het verkeer. Bij deze demonstratie was het verstorende effect beperkt omdat voetgangers en fietsers via de stoep konden passeren. In deze zaak wilde de fietser toch met zijn fiets over de weg, door de demonstratie heen. Hij duwde zijn fiets in de richting van de demonstranten om zo de doorgang af te dwingen.

De rechter oordeelt dat de duw van de verdachte aan de aangever niet als een geweldshandeling kan worden aangemerkt. Het tegenhouden van de fietser die zich door een demonstratie heen probeert te forceren, valt onder de demonstratievrijheid. Daarbij weegt de politierechter mee dat gedragingen van demonstranten die als geweld kunnen worden beschouwd, volgens het internationale recht restrictief moeten worden uitgelegd.

Ook het weggooien van de fiets kan niet worden gezien als een geweldshandeling. De aangever tilde zijn fiets boven zijn hoofd om zich een weg door de menigte te banen, wat volgens de rechter niet zonder gevaar was. De verdachte gooide de fiets weg als reactie hierop, maar dit wordt niet gezien als een geweldshandeling.

De openlijke geweldpleging kan niet worden bewezen en de verdachte wordt vrijgesproken.

Wat leert deze uitspraak ons?

Deze zaak benadrukt dat geweld door demonstranten restrictief wordt uitgelegd. De reikwijdte van het demonstratierecht wordt juist breed uitgelegd: incidenteel geweld door enkele demonstranten betekent niet automatisch dat de hele demonstratie haar bescherming verliest.

Rechtspraak

Meer recente uitspraken