De burgemeester heeft terecht een beperking opgelegd aan een klimaatdemonstratie. Er mochten niet meer dan vijf deelnemers demonstreren op het Prinses Irenepad in verband met de veiligheidsrisico's op die locatie. Ook is het geen standaardbeperking, omdat de burgemeester het geval individueel heeft beoordeeld.
Op 17 juni 2023 is namens de Stichting Grootouders voor het Klimaat (hierna: de Stichting) kennisgeving gedaan van een demonstratie op 6 juli 2023 van 14.00 tot 15.00 uur. Het doel van de demonstratie is het oproepen van de overheid om haast te maken met het klimaatbeleid. In dat verband hebben ze bij de kennisgeving onder andere aangegeven de demonstratie op het Prinses Irenepad te willen houden, omdat de Tweede Kamer daar tijdelijk is gehuisvest. Daarnaast heeft de Stichting bij de kennisgeving aangegeven ongeveer dertig deelnemers te verwachten bij de demonstratie.
De burgemeester heeft vervolgens op basis van de Wet openbare manifestaties (Wom) na kennisgeving een beperking opgelegd. Die beperking houdt in dat de Stichting met maximaal vijf personen op het Prinses Irenepad mag demonstreren en dat de overige deelnemers op twee nabijgelegen locaties mogen demonstreren. De burgemeester acht de beperking noodzakelijk om wanordelijkheden te voorkomen. De Stichting vindt dat de burgemeester de demonstratie ongerechtvaardigd heeft beperkt.
Is de demonstratie van de Stichting ongerechtvaardigd beperkt door de burgemeester?
De rechter oordeelt dat de burgemeester voldoende heeft onderbouwd waarom een demonstratie op het Prinses Irenepad met dertig deelnemers tot wanordelijkheden kan leiden. De noodzaak van de beperking zit ten eerste in de verschillende functies die het Prinses Irenepad vervult. Het betreft een drukke doorgangsroute en is daarnaast een belangrijke vlucht- en verzamellocatie voor de Tweede Kamer.
Ten tweede heeft het Prinses Irenepad ruimtelijke beperkingen vanwege onder andere de omliggende bebouwing. Dit betekent dat de locatie moeilijk toegankelijk is voor hulpdiensten en de politie als er wanordelijkheden plaatsvinden. De burgemeester heeft zich op dit punt laten informeren door de politie, de Koninklijke Marechaussee, de beveiliging van de Tweede Kamer en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV).
Ten derde mag de beperkingsgrond 'ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden' niet te ruim worden uitgelegd, maar ook niet te strikt. De beperkingsgrond ziet bijvoorbeeld niet uitsluitend op strafbaar gedrag van demonstranten zelf. Ook de plaats van de demonstratie en het wel of niet kunnen waarborgen van de veiligheid van demonstranten en omstanders wordt meegenomen in het afwegen van die beperkingsgrond. Daarnaast bepaalt de wetsgeschiedenis dat de voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden in nabijheid van parlementsgebouwen zwaardere eisen kan stellen dan op andere plaatsen het geval is.
Ten vierde oordeelt de rechter dat er geen minder vergaande maatregelen mogelijk waren waarmee hetzelfde doel kon worden bereikt, en dat er een geschikte alternatieve locatie binnen zicht- en gehoorafstand was aangeboden.
De rechter overweegt ten slotte dat er geen sprake is van een standaardbeperking: de burgemeester heeft de demonstratie individueel beoordeeld en maatwerk toegepast. Het enkele feit dat dezelfde beperking ook bij eerdere demonstraties is opgelegd, betekent niet dat de burgemeester deze demonstratie niet individueel heeft beoordeeld.
De demonstratie van de Stichting is dus terecht beperkt door de burgemeester.
Deze uitspraak maakt duidelijk dat de context van een locatie meeweegt in het op kunnen leggen van een beperking. Daarbij geldt dat voor sommige locaties, zoals bij een parlementsgebouw, zwaardere eisen kunnen worden gesteld dan op andere plaatsen.
Een initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen | Website door Liesbeth Smit, The Online Scientist | Disclaimer & privacy