Rechtspraak over demonstratierecht
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Soort zaak
hoger beroep
Rechtsgebied
Strafrechtelijk
Procespartijen
Verdachte is deelnemer aan een coronademonstratie
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:3229
Lees de volledige rechtspraak
26 november 2024

Rechtmatigheid noodbevel niet vast te stellen, vrijspraak

Het oordeel in het kort

Verdachte heeft tijdens een coronademonstratie op het Museumplein in Amsterdam op 28 maart 2021 een noodbevel van de locoburgemeester van de gemeente Amsterdam niet opgevolgd. De strafrechter spreekt verdachte vrij van het niet opvolgen van het noodbevel (het niet opvolgen van een ambtelijk bevel in de zin van artikel 184 Wetboek van Strafrecht), omdat de rechter de rechtmatigheid van het noodbevel niet kan vaststellen. In de motivering van het noodbevel wordt namelijk verwezen naar een voortraject waarin de demonstratie al op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties is beëindigd, terwijl in het noodbevel verder niet wordt aangegeven wat de overwegingen in het voortraject zijn geweest. Dat had wel gemoeten, nu de burgemeester zich in het noodbevel onder meer baseert op dat voortraject en de beoordelingscriteria van artikel 7 Wet openbare manifestaties.

Wat zijn de feiten?

Op 28 maart 2021 is verdachte betrokken bij een bijeenkomst op het Museumplein in Amsterdam. De bijeenkomst werd getypeerd als "koffie drinken" op het Museumplein. Er zijn vaker dergelijke bijeenkomsten georganiseerd; sinds januari 2021 elke zondag. Destijds gold vanwege corona de anderhalve meter afstand en was het aantal deelnemers dat bij elkaar kwam in een openbare ruimte gemaximeerd. De bijeenkomst van 28 maart 2021 voldeed niet aan beide regels. Het hof begrijpt tegen de achtergrond van de benaming "koffie drinken" dat het tijdens de bijeenkomsten ging om een uiting van verzet tegen de coronamaatregelen. De tenlastelegging in deze uitspraak ziet op het feit dat verdachte op 28 maart 2021 het noodbevel van de locoburgemeester om zich van het Museumplein te verwijderen niet heeft opgevolgd.

De centrale vraag van deze rechtszaak:

Is het noodbevel van de locoburgemeester rechtmatig?

Wat oordeelt de rechter?

Het hof oordeelt dat de rechtmatigheid van het noodbevel niet is vast te stellen en spreekt de verdachte daarom vrij. het hof overweegt daarbij als volgt:

Een gegeven ambtelijk bevel is rechtmatig als er een wettelijke grondslag aanwezig is voor het bevel en het bevel voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (artikel 184 Sr).

Op grond van artikel 175 Gemeentewet is de burgemeester bevoegd om een noodbevel op te leggen. De locoburgemeester was in dit concrete geval bevoegd als plaatsvervanger van de burgemeester op basis van artikel 77 Gemeentewet. Voorwaarden voor het uitoefenen van de noodbevelsbevoegdheid in een concreet geval benadrukken het 'noodkarakter' van de bevoegdheid: er moet sprake zijn van uitzonderlijke omstandigheden en de normale burgemeestersbevoegdheden moeten ontoereikend zijn. Daarnaast benadrukken de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit dat een inbreuk op grondwettelijke waarborgen niet is toegestaan.

De bestuursrechter, en daarom ook de strafrechter, dient de rechtmatigheid van een noodbevel marginaal te toetsen. Deze toets betreft de vraag of de burgemeester in redelijkheid tot het noodbevel heeft kunnen komen.

Niet kan worden bepaald wanneer met het instrumentarium van de Wet openbare manifestaties (Wom) of van de Gemeentewet moet worden begonnen. Anders gezegd: er is geen rechtsregel op grond waarvan kan worden geëist dat het Wom-traject wordt gevolgd voorafgaand aan een noodbevel.

Dit betekent het volgende voor deze zaak.

De locoburgemeester heeft bij de motivering van het noodbevel zich onder meer gebaseerd op het voortraject, waarin de demonstratie is beëindigd op grond van artikel 7 van de Wet openbare manifestaties. Om die reden is het voortraject van de Wom betekenisvol voor de feitelijke grondslag van de motivering voor het noodbevel. Het hof kan het voortraject echter niet vaststellen of beoordelen op basis van het procesdossier. Dat brengt met zich mee dat de rechtmatigheid van het noodbevel in het kader van deze strafzaak niet kan worden vastgesteld. Om die reden spreekt de rechter verdachte vrij.

Wat leert deze uitspraak ons?

De burgemeester dient een noodbevel in de zin van artikel 175 Gemeentewet goed te motiveren, anders levert het niet opvolgen van het noodbevel geen strafbaar feit in de zin van artikel 184 Wetboek van Strafrecht (niet opvolgen van een ambtelijk bevel) op. Als de burgemeester ter motivering van een noodbevel waarin demonstranten worden bevolen zich te verwijderen verwijst naar een voortraject, waarin de demonstratie reeds is beëindigd op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties, dan dient de burgemeester te vermelden wat de overwegingen in dat voortraject zijn geweest. Doet de burgemeester dat niet, dan is de rechtmatigheid van het noodbevel in beginsel niet vast te stellen.

Het is voor het uitvaardigen van een noodbevel waarin demonstranten worden bevolen zich te verwijderen niet vereist dat hieraan een beëindiging van de demonstratie op grond van artikel 7 Wet openbare manifestaties is voorafgegaan.

Rechtspraak

Meer recente uitspraken