Bij een demonstratie op een bouwterrein grijpt de politie in en arresteert twee verdachten. Het gerechtshof behandelt de zaken van deze twee verdachten afzonderlijk. De rechter veroordeelt de eerste verdachte voor het demonstreren in een hijskraan op het bouwterrein. Het ingrijpen van de politie was in dit geval gerechtvaardigd volgens de rechter. Het gerechtshof spreekt de tweede verdachte vrij voor het demonstreren op het dak van een bouwkeet. In dit geval was het politieoptreden volgens de rechter niet gerechtvaardigd.
Op 21 mei 2021 demonstreert een groep actievoerders op een bouwterrein tegen de bouw van een kantoor. Drie demonstranten bevinden zich daarbij op het dak van een bouwkeet. Anderen klimmen in een hijskraam om daar een spandoek op te hangen. Zij staan daarbij op de zijarm van de hijskraam op ongeveer 40 meter hoogte.
De politie spreekt met een woordvoerder van de actiegroep af dat de demonstranten nog even de tijd krijgen om het terrein vrijwillig te verlaten en dat de politie de demonstranten aanhoudt voor erfvredebreuk (artikel 138 Wetboek van Strafrecht) als zij dit niet doen. De demonstranten weigeren het terrein te verlaten. Een arrestatieteam haalt de demonstranten van het dak van de bouwkeet en uit de hijskraan en houdt hen aan.
Twee demonstranten doen een beroep op de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren is beschermd. De demonstranten voeren bij de rechter aan dat hun actie vreedzaam was en dat het politieoptreden een schending van deze rechten oplevert.
Is een strafrechtelijke aanhouding en veroordeling van demonstranten die bij hun demonstratie op een dak van een bouwkeet staan en in een hijskraam zijn geklommen in strijd met het recht op vrijheid van meningsuiting en demonstratie in de zin van de artikelen 10 en 11 van het EVRM?
Het gerechtshof oordeelt dat er sprake was van een vreedzame demonstratie en dat het politieoptreden inderdaad een beperking vormt op het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om te demonstreren zoals beschermd door de artikelen 10 en 11 EVRM, omdat de verdachten na hun aanhouding voor erfvredebreuk niet verder konden demonstreren en omdat zij door de aanhouding een poosje van hun vrijheid zijn beroofd.
Vervolgens overweegt het gerechtshof dat de rechten uit de artikelen 10 en 11 EVRM mogen worden beperkt als aan de drie voorwaarden uit lid 2 van die verdragsbepalingen is voldaan. Ten eerste moet de beperking bij de wet voorzien zijn, ten tweede moet de beperking een gerechtvaardigd doel dienen en ten derde moet de beperking noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.
Het hof oordeelt dat de eerste twee voorwaarden zijn vervuld. Ten aanzien van de derde voorwaarde overweegt het hof dat bij demonstraties er altijd enige verstoring van het dagelijks leven kan optreden en dat de overheid dit tot op zekere hoogte moet accepteren. Pas wanneer een demonstrant zich schuldig maakt aan laakbaar gedrag kan hij worden gestraft, zelfs als de demonstratie vreedzaam is.
In deze zaak maakt het hof een onderscheid tussen de verdachte in de hijskraan en de verdachte op het dak van de bouwkeet. De verdachte in de hijskraan creëerde volgens het hof een gevaarlijke situatie, zowel voor zichzelf als voor anderen op het bouwterrein. Om die reden was het begrijpelijk dat de politie ingreep. Het hof oordeelt dat er in dit geval sprake was van laakbaar gedrag, waardoor de beperking van de demonstratievrijheid van de verdachte gerechtvaardigd was.
Het gerechtshof legt de demonstrant een voorwaardelijke geldboete van 225 euro op. Het overweegt daarbij dat strafrechtelijk optreden – waaronder ook het opleggen van een straf – niet zo ingrijpend mag zijn dat dit een ‘chilling effect’ (afschrikwekkend effect) heeft op anderen die willen demonstreren. Daar heeft het gerechtshof rekening mee gehouden bij het bepalen van de soort straf (geldboete) en de hoogte (225 euro) ervan. Maar vanuit het oogpunt van generale preventie en normhandhaving is volgens het gerechtshof enige vorm van chilling effect in dit geval wel gerechtvaardigd. Dit om te voorkomen dat actievoerders in de toekomst vergelijkbare gevaarlijke situaties veroorzaken.
Over de verdachte op het dak van de bouwkeet oordeelt het hof anders. Deze verdachte veroorzaakte geen groot gevaar voor zichzelf of anderen en verstoorde het dagelijks leven niet in ernstige mate, aangezien de bouwvakkers hun werk konden voortzetten. Daarom was de inperking van de demonstratievrijheden voor deze verdachte onterecht.
Uit deze uitspraken blijkt dat een zekere verstoring van het dagelijks leven door een demonstratie getolereerd moet worden door de overheid. Er mag pas worden ingegrepen wanneer er sprake is van laakbaar gedrag. Het hangt af van de omstandigheden van het geval of hiervan sprake is. In deze zaak oordeelt de rechter dat demonstreren door in een hijskraan te klimmen laakbaar gedrag is, omdat het een gevaarlijke situatie oplevert voor zowel de demonstrant als anderen. Het opleggen van een straf (voorwaardelijke geldboete) kan dan vanuit het oogpunt van generale preventie en normhandhaving gerechtvaardigd zijn, ook al levert dit enige vorm van ‘chilling effect’ (afschrikwekkend effect) op, omdat hiermee kan worden voorkomen dat demonstranten in de toekomst vaker dergelijke gevaarlijke situaties veroorzaken. Het demonstreren op het dak van een bouwkeet beschouwt de rechter in dit geval daarentegen niet als laakbaar en het optreden van de politie daartegen is daarom niet gerechtvaardigd.
Een initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen | Website door Liesbeth Smit, The Online Scientist | Disclaimer & privacy