Rechtspraak over demonstratierecht
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Soort zaak
hoger beroep
Rechtsgebied
Strafrechtelijk
Procespartijen
Verdachte is politiek mensenrechtenactivist
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2025:482
Lees de volledige rechtspraak
26 maart 2025

Veroordeling voor opruiing door oproep tot deelname aan verboden demonstratie in coronatijd

Het oordeel in het kort

Verdachte heeft in coronatijd op Twitter en Facebook opgeroepen om deel te nemen aan een verboden demonstratie op het Malieveld en om anderen te infecteren met het coronavirus. Daarmee heeft hij opgeroepen tot het overtreden van het demonstratieverbod (het overtreden van een demonstratieverbod is strafbaar gesteld in artikel 11 Wet openbare manifestaties) en opgeroepen tot het overtreden van de coronaregels die toen golden. Om die reden heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opruiing in de zin van artikel 131 Wetboek van Strafrecht en veroordeelt de rechter hem tot een taakstraf van 60 uren.

Wat zijn de feiten?

Verdachte heeft in coronatijd op Twitter en Facebook opgeroepen om deel te nemen aan een verboden demonstratie op het Malieveld en om anderen te infecteren met het coronavirus. In eerste aanleg is verdachte veroordeeld voor de oproep om deel te nemen aan een verboden demonstratie. Daarvoor heeft hij een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand opgelegd gekregen.

Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld.

De centrale vraag van deze rechtszaak:

Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het oproepen tot het plegen van strafbare feiten (opruiing) door in coronatijd op Twitter en Facebook op te roepen om deel te nemen aan een verboden demonstratie en om anderen te infecteren met het coronavirus?

Wat oordeelt de rechter?

Het hof geeft allereerst een juridische en een feitelijke context van de uitlatingen. De juridische context betreft het begrip 'opruiing'. Daarin ligt opzet besloten, waardoor ten minste vereist is dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Daarnaast betreft opruiing een abstract gevaarzettingsdelict: het strafbare feit waartoe wordt opgeroepen hoeft zich niet daadwerkelijk voor te hebben gedaan, de persoon die oproept en de personen die kennisnemen van de oproep hoeven niet te weten dat er een strafbaar feit in de oproep besloten ligt en het concrete delict waartoe wordt opgeroepen hoeft niet te worden benoemd.

De feitelijke context betreft de coronacrisis, waarin angst en onzekerheid bestond over het verloop van het coronavirus en de gevolgen daarvan. Er werd telkens naar een balans gezocht tussen de verplichting van de overheid om de gezondheid van burgers te beschermen en de vrijheden van diezelfde burgers.

Het hof acht, anders dan de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing, niet alleen met zijn oproep om deel te nemen aan een verboden demonstratie, maar ook met zijn oproep om anderen te infecteren met het coronavirus.

Over de oproep om deel te nemen aan de verboden demonstratie merkt de rechter het volgende op. Het belang van opruiing als delict is de bescherming van de openbare orde; het voorkomen dat mensen worden aangezet tot het plegen van strafbare feiten of tot agressie tegen het openbaar gezag. Met het openbaar doen van opruiende uitlatingen is het delict daarom al meteen geschonden, omdat een dergelijke oproep meteen kan leiden tot wanordelijkheden en gevaar voor de gezondheid van (in ieder geval) de deelnemers aan de (verboden) demonstratie.

Voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing is het volgens het hof niet relevant of het demonstratieverbod (door een rechter) op een later moment al dan niet rechtmatig wordt bevonden. Het hof beoordeelt om die reden zelf ook niet de rechtmatigheid van het demonstratieverbod. Het gevaar van de aantasting van de openbare orde bestaat zonder meer en moet daarom worden voorkomen, ongeacht of het verbod rechtmatig was of niet.

Wat leert deze uitspraak ons?

Het oproepen om deel te nemen aan een verboden demonstratie is strafbaar, omdat het deelnemen aan een verboden demonstratie strafbaar is (artikel 11 Wet openbare manifestaties) en het oproepen tot het plegen van een strafbaar feit ook strafbaar is (opruiing, artikel 131 Wetboek van Strafrecht). Daarbij maakt het niet uit of het demonstratieverbod op een later moment (door een rechter) al dan niet onrechtmatig wordt bevonden. Het gevaar van de aantasting van de openbare orde bestaat zonder meer en moet daarom worden voorkomen.

Rechtspraak

Meer recente uitspraken