Rechtspraak over demonstratierecht
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Soort zaak
voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrechtelijk
Procespartijen
Verenigde Internationale Socialisten tegen de burgemeester van Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:7389
Lees de volledige rechtspraak
29 november 2024

Verplaatsing pro-Palestina demonstratie rechtmatig

Het oordeel in het kort

De Verenigde Internationale Socialisten wil een demonstratie houden op de Dam in Amsterdam. De burgemeester verplaatst de demonstratie naar een ander plein, uit angst voor wanordelijkheden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit tot verplaatsing van de demonstratie rechtmatig is.

Wat zijn de feiten?

De Verenigde Internationale Socialisten (hierna verzoekster) heeft op 8 november 2024 bij de burgemeester van Amsterdam gemeld dat zij op 30 november 2024 een demonstratie wil houden. Het doel van de demonstratie is - zo verwoord verzoekster - aandacht vragen voor genocide in Palestina. Het plan is om de demonstratie te starten op de Dam met een programma en om daarna naar het Museumplein te lopen.

Op 28 november 2024 heeft de burgemeester op grond van artikel 5 van de Wet openbare manifestaties (Wom) voorschriften opgelegd om wanordelijkheden te voorkomen. De burgemeester besluit dat de demonstratie niet op de Dam mag beginnen, maar moet worden verplaatst naar een alternatieve locatie zoals het Museumplein of het Stoperaplein. De burgemeester geeft aan dat er een reële vrees bestaat voor confrontaties en wanorde als de demonstratie op de Dam plaatsvindt. Deze vrees is gebaseerd op de recente spanningen en incidenten rondom pro-Israël en pro-Palestina demonstraties. Bovendien gold er kort daarvoor in Amsterdam nog een noodverordening, met een demonstratieverbod, vanwege onrust en spanningen in de stad.

Verzoekster maakt bezwaar tegen dit besluit en vraagt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Zij wil dat de demonstratie op 30 november 2024 alsnog op de Dam kan starten. Verzoekster stelt dat de burgemeester niet voldoende heeft aangetoond dat er een reële vrees is voor wanordelijkheden. Daarnaast benadrukt zij dat de Dam om verschillende redenen een belangrijke locatie is voor de demonstratie.

De centrale vraag van deze rechtszaak:

Is het besluit van de burgemeester om de demonstratie van locatie te verplaatsen rechtmatig?

Wat oordeelt de rechter?

De rechter benadrukt eerst de relevante wettelijke bepalingen, waaronder artikel 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 9 van de Grondwet en de artikelen 2 en 5 van de Wom. Deze bepalingen stellen dat beperkingen op een demonstratie alleen in dwingende situaties kunnen worden opgelegd. Dit geldt niet alleen voor een verbod op een demonstratie, maar ook voor voorschriften en beperkingen, zoals in deze zaak de verplaatsing van de demonstratielocatie. 

Het uitgangspunt is dat de organisatie van een demonstratie zelf de tijd en locatie bepaalt. De burgemeester moet in principe de demonstratie faciliteren. Beperkingen zijn toegestaan bij een reële vrees voor wanordelijkheden. Zelfs dan moet de burgemeester alles doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de demonstratie door te laten gaan, al zijn hier wel grenzen aan.

De burgemeester stelt dat er bij deze demonstratie sprake is van een reële vrees tot wanordelijkheden op de Dam. In de afgelopen periode hebben verschillende incidenten en confrontaties plaatsgevonden tijdens pro-Israël en pro-Palestina demonstraties. Naar aanleiding van deze spanningen gold recent nog een noodverordening. De politie heeft aanwijzingen dat ook bij deze demonstratie voor- en tegenstanders tegenover elkaar zullen komen te staan. Daarnaast is er een tegendemonstratie aangemeld, waarvan wordt verwacht dat deze heftige reacties zal uitlokken. Bovendien valt de dag van de demonstratie op een van de drukste zaterdagen van het jaar, met veel winkelend publiek vanwege sinterklaasinkopen. Zelfs zonder demonstranten vormt de drukte op de Dam al een grote uitdaging voor de politie om het verkeer en de openbare orde in goede banen te leiden. De politie schat in dat het risico op confrontaties hoog is en dat zij door de omstandigheden onvoldoende in staat zal zijn om in te grijpen bij wanordelijkheden. Op alternatieve aangeboden locaties, zoals het Stoperaplein, kan de politie daarentegen de demonstranten en andere aanwezig wel adequaat beschermen.

De rechter oordeelt dat de burgemeester voldoende concreet heeft onderbouwd dat er een reële vrees is voor wanordelijkheden en dat de Dam als locatie van de demonstratie een onbeheersbare situatie zal opleveren. Verder vindt de rechter het van belang dat het niet gaat om een verbod van de demonstratie, maar om een verplaatsing naar een alternatieve locatie in het centrum van Amsterdam. Het besluit om de demonstratie te verplaatsen is volgens de rechter dan ook rechtmatig.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hoewel de rechter erkent dat de Dam een belangrijke locatie is voor verzoekster, weegt het belang van de burgemeester om wanordelijkheden te voorkomen in dit geval zwaarder. Dit betekent dat de demonstratie niet op de Dam mag beginnen, maar moet plaatsvinden op een andere locatie.

Wat leert deze uitspraak ons?

Deze zaak maakt duidelijk dat een demonstratie alleen in een dwingende situatie mag worden beperkt, zoals bij een reële vrees voor wanordelijkheden die tot een onbeheersbare situatie zullen leiden. De burgemeester is in principe verplicht om alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk is om een demonstratie te faciliteren, maar hier zijn wel grenzen aan. 

Rechtspraak

Meer recente uitspraken