In deze zaak staat de verdachte terecht voor opruiing en het niet opvolgen van een opdracht van de burgemeester om een demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan. De rechtbank oordeelt dat de verdachte zich niet heeft schuldig gemaakt aan opruiing. Zijn uitlating over het onder burgerarrest stellen van agenten vormt, gezien de context, geen oproep tot geweld of strafbare feiten. Ook voor het niet opvolgen van de opdracht om de demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan spreekt de rechter de verdachte vrij, omdat de verdachte te weinig tijd heeft gekregen om te voldoen aan die opdracht.
Op zaterdagavond 10 oktober 2020 demonstreert een groep mensen in Den Haag tegen de coronamaatregelen. De burgemeester van de gemeente Den Haag geeft de demonstranten de opdracht om de niet-aangemelde demonstratie te beëindigen en om uiteen te gaan (in de uitspraak staat niet om welke reden de burgemeester deze opdracht geeft). De demonstranten volgen deze opdracht op, maar sommigen komen terug om verder te demonstreren. Ook een tweede beëindigingsopdracht volgen de demonstranten op. Als zij vervolgens een derde keer die avond terugkomen om te demonstreren en zij te horen krijgen dat zij voor heel Den Haag geen toestemming hebben om te demonstreren en de stad uit moeten gaan, loopt een groep van circa 65 personen samen weg een bepaalde richting op. De politie sluit de demonstranten dan in en houdt hen aan. Tijdens dat optreden van de politie filmt de verdachte zichzelf in een livestream op Facebook. In de video zegt hij: "Ja, maar dan gaan we, dan moeten we misschien agenten onder burgerarrest gaan stellen. Want dit ehh, want ze gijzelen nu hè." Later in dezelfde livestream roept hij mensen op om rustig te blijven en geen verzet te tonen. Eerder die middag plaatst hij nog een filmpje waarin hij mensen oproept om naar de demonstratie te komen, maar benadrukt dat geweld niet is toegestaan.
Het Openbaar Ministerie vervolgt de verdachte voor twee feiten: (1) opruiing in de zin van artikel 131 Wetboek van Strafrecht (Sr) en (2) het niet opvolgen van de opdracht van de burgemeester aan de demonstranten om de demonstratie te beëindigen en weg te gaan in de zin van de artikelen 7 en 11 van de Wet openbare manifestaties (Wom).
Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opruiing in de zin van artikel 131 Sr en het niet opvolgen van een bevel in de zin van de artikelen 7 en 11 Wom?
De verdachte stelt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechter oordeelt dat niet-ontvankelijkheid alleen mogelijk is bij ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij de belangen van de verdachte op een eerlijke procesorde doelbewust worden geschaad. De beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toets. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard, als de vervolging in strijd is met beginselen van een behoorlijke procesorde. In deze zaak is volgens de rechter geen sprake van zulke inbreuken, hij verklaart de officier van justitie dan ook ontvankelijk.
De rechter gaat vervolgens na of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing in de zin van artikel 131 Sr. Om opruiing te bewijzen, moet de verdachte hebben aangezet tot een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen openbaar gezag. De rechter kijkt daarbij naar de inhoud, context en samenhang van de uitlatingen. Het is niet van belang of mensen daadwerkelijk gevolg geven aan de oproep. Ook moet opzet aantoonbaar zijn. Als laatste moet de uitlating openbaar en mondeling, schriftelijk of bij afbeelding zijn gedaan. Een internetpagina geldt als openbaar als deze voor anderen toegankelijk is.
De rechter oordeelt dat de verdachte zich met de livestream niet schuldig heeft gemaakt aan opruiing. De verdachte maakt de opmerking over het onder burgerarrest stellen van agenten in een situatie waarin hij door de politie is ingesloten en zich niet kan verwijderen. Hij richt zich in de livestream tot mensen die niet fysiek aanwezig zijn bij de demonstratie en roept de aanwezigen bij de demonstratie juist op om zich rustig te houden en geen verzet te tonen. Volgens de rechtbank valt in deze omstandigheden geen oproep tot geweld of een strafbaar feit te herkennen. Hij spreekt de verdachte dan ook vrij van opruiing.
De rechter gaat tot slot na of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het niet opvolgen van de opdracht van de burgemeester om de demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan in de zin van de artikelen 7 en 11 Wom. De rechter stelt vast dat de verdachte aan de eerste twee opdrachten van de politie heeft voldaan. De groep demonstranten ging twee keer uiteen na politie-instructies. Bij de laatste politie-instructie kwam de verdachte in beweging toen de politie hem opdracht gaf om Den Haag te verlaten. De tijdspanne tussen de opdracht om de stad te verlaten en zijn aanhouding was echter te kort om vast te stellen dat hij opzettelijk in strijd met het bevel handelde. Ook voor dit feit spreekt de rechter de verdachte vrij.
Deze uitspraak leert ons hoe rechters het begrip opruiing uit artikel 131 Sr interpreteren. Er moet sprake zijn van een aanzet tot een strafbaar feit of een gewelddadig optreden tegen openbaar gezag, waarbij inhoud, context en samenhang tussen uitlatingen een cruciale rol spelen. Ook moet er sprake zijn van een vorm van opzet en is het vereist dat de uitlating openbaar en mondeling, bij geschrift of bij afbeelding is gedaan. Een internetpagina geldt als openbare plaats als deze toegankelijk is voor mensen.
Deze uitspraak leert ons verder dat bij de beoordeling of er in strijd is gehandeld met een opdracht van de burgemeester om een demonstratie te beëindigen en uiteen te gaan in de zin van de artikelen 7 en 11 Wom, de tijd die een verdachte krijgt om aan deze opdracht te voldoen, meeweegt in de rechterlijke afweging.
Een initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen | Website door Liesbeth Smit, The Online Scientist | Disclaimer & privacy